Zonaanbidder

De wereld ziet er anders uit als de zon schijnt. Het scherpe licht maakt alles helderder, beter gearticuleerd. De dingen die eerst nog onduidelijk waren of ingewikkeld leken, zoals het leven – ik zie ze helder en ze blijken helemaal niet zo ingewikkeld als ik had gedacht. De zachte warme bries van de late zomer waait over de haartjes op m’n arm. Ik moet nog van alles, maar dat kan ook morgen. Of in september.

Ik besef me dat er eigenlijk maar drie vragen zijn die ertoe doen. Waarom dragen we kleren? Waarom moeten we zo veel? Waarom hebben we de aanbidding van de natuurelementen vervangen door de huidige – veel complexere – transcendente geloofssystemen? Vooral de laatste vraag houdt me bezig. De zon is tenminste gewoon zichtbaar, banaal aanwezig, geeft échte warmte, ontsluiert de waarheid. Was zij niet genoeg? Moesten we per se God scheppen? En toen we hem zat waren het individu vergoddelijken? Was het echt zo hard nodig om de wereld zoveel ingewikkelder te maken dan hij is?

Mijn goddelijke ik, dat een paar weken geleden nog zo belangrijk leek – papers schrijven, me zorgen maken over mijn toekomst, niet alleen maar tosti’s eten – laat het afweten nu het zomer is. God trouwens ook. Nu rest mij slechts de zon, de wind, en mijn lichaam. Maar de grootste is de zon.

Misschien snap ik het ook wel een beetje, want als je de zon aanbidt, wat moet je (als Nederlander) dan de rest van het jaar? Een onzichtbare God is er tenminste altijd – zelfs als het bewolkt is, dan reist hij in een wolkkolom. En wat te denken van jezelf? Als er íemand is die er altijd voor je is… Maar het is hard werken, van jezelf God maken, onvermoeibaar ploeteren om de hemel te bereiken en de aarde achter te laten. Ik hoorde eens van iemand die het gelukt was. En wat bleek? Het is daar pikkedonker in de hemel, te weinig materie voor het zonlicht om op te weerkaatsen ofzo. Kun je beter gewoon op aarde blijven.

‘Houd je dan zoveel van deze aarde?’ roepen God en Oprah Winfrey in koor uit de hoogte. Meteen begin ik te twijfelen, het klinkt toch wel aanlokkelijk, die hemel. En volgens mij zou ik een ontzettend leuke God zijn. Maar dan moet ik toch een keer van m’n balkon af om iets te gaan doen, die laatste twee papers afschrijven, een stage regelen. Morgen, dan ga ik beginnen. Of misschien in september.