Waarom ik woensdag (vóór) ga stemmen

Het grote dilemma van stemmen is voor mij altijd dat ik enerzijds vind dat ik hoe dan ook moet stemmen omdat ik de democratie belangrijk vind, anderzijds dat ik me nooit voldoende in de inhoud heb verdiept om een weloverwogen keuze te kunnen maken. Ik ben dan altijd blij dat we met een volksvertegenwoordiging werken, zodat ik die ingewikkelde keuzes kan overlaten aan mensen die er verstand van hebben en er hun werk van hebben gemaakt. Ik hoef dan alleen maar de partij te kiezen die het dichtst bij mijn visie op de samenleving staat.

Natuurlijk is dat te simpel gedacht. Soms worden er grote omstreden besluiten genomen waar je je als burger zorgen over maakt. Een mooi voorbeeld zijn de referenda rondom het homohuwelijk die we de laatste tijd in andere landen soms de kop op zien steken. Dat zijn principekwesties. Op zulke momenten wil je de keuze niet in handen leggen van de partij waar je drie jaar geleden een keer op gestemd hebt, maar zelf iets te zeggen hebben. Om de democratie te waarborgen is er in Nederland sinds vorig jaar de mogelijkheid een referendum aan te vragen, een volksraadpleging waarin het volk zijn mening over een kwestie mag uitspreken. Dat is wat we nu op 6 april gaan doen over de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne.

Er is veel over dit verdrag te zeggen. De belangrijkste argumenten vóór zijn (voor zover ik heb begrepen) een sterkere Europese samenwerking en daarmee ook de kans voor Oekraïne, dat momenteel een beetje speelbal tussen Rusland en de EU is, zich economisch én humanitair verder te ontwikkelen. Hierbij wordt vaak gewezen op de opstand die we de afgelopen jaren op TV hebben kunnen volgen, de mensen die bereid waren hun levens te geven voor een betere toekomst voor hun land. De belangrijkste argumenten tegen zijn dat het land corrupt en een economisch drama is en de EU alleen maar naar beneden trekt. Daarbij bleek twee dagen terug weer eens dat het de initiatiefnemers niet zozeer te doen is om dit verdrag, maar meer om frustratie over de Europese samenwerking in z’n geheel.

Inhoudelijk neig ik – op basis van dit kleine beetje dat ik ervan heb begrepen – naar een vóór, maar ik herken ook de twijfels over het grote project van de Europese samenwerking. Het heeft ons heel veel gebracht, maar tegelijkertijd hebben we de afgelopen tijd met o.a. de Euro- en de vluchtelingencrisis gezien dat het allemaal niet zo stabiel en solidair is als we gehoopt hadden. Hoe slim is het dan om die samenwerking nog verder uit te breiden? Om eerlijk te zijn: ik heb geen idee. Het is een ontzettend complex geheel, dat op zichzelf onderdeel is van het veel grotere geheel van allerlei verdragen en samenwerkingen. Inhoudelijk kan ik dan ook niet meer dan ‘neigen’.

Daarmee komen we weer terug bij de parlementaire democratie, de volksvertegenwoordiging is er immers om dit soort ingewikkelde besluiten te nemen. Het is misschien geen perfecte bestuursvorm, maar in mijn ogen wel de beste die we hebben. Wat er nu met dit referendum gebeurt, is dat de keuze van die deskundige volksvertegenwoordiging naar het onwetende (dat mag gerust gezegd worden, en daar reken ik mezelf ook onder) volk wordt verschoven. Een ingewikkelde en ver van ons afstaande keuze over verdere toenadering tussen de EU en Oekraïne wordt nu genomen op basis van onderbuikgevoelens en frustraties over de politiek. Dat is geen ‘feest der democratie’, zoals de initiatiefnemers van #GeenPeil ons graag doen geloven, dat is volgens mij eerder een ondermijning van de democratie.

Het liefst zou ik dan ook niet stemmen, deze keuze niet willen dragen, het referendum boycotten. En waarom ook niet? Waarom niet gewoon thuisblijven, zoals bijv. Ephimenco ons aanraadt? Heel simpel: “Het risico is dat de thuisblijvers ervoor zorgen dat de tegenstanders een meerderheid halen” (Lyle Muns, vandaag in Trouw).

En dus blijft er voor mij maar één mogelijheid over. Ik stem woensdag vóór de democratie. En dus vóór het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne.