Geluk te koop

Je eerste keer is de beste, zeggen ze. Ik herinner de mijne nog levendig. Mijn handen reikten naar de gekleurde lichten boven me, de dreunende bas was in ieder armhaartje voelbaar, een wildvreemde sloeg zijn arm om me heen. “Mooi hè,” grijnsde hij. Ik kon alleen maar teruggrijnzen. Het leven was inderdaad nog nooit zo mooi geweest.

Hoewel xtc-gebruik na de jaren ’90 fors afnam, zit het sinds enkele jaren weer behoorlijk in de lift. In het vijfjaarlijkse Antenne-onderzoek van het Bonger Instituut wordt aan clubbezoekers in Amsterdam gevraagd of ze de partydrug afgelopen maand gebruikt hebben. Beantwoordde in 2008 nog zo’n 20 procent van het uitgaanspubliek deze vraag bevestigend, in 2013 lag het aantal ruim boven de 40 procent. Neem je de bezoekers van dancefeesten in de cijfers mee, dan stijgt het gemiddelde zelfs naar 55 procent.

Dergelijke onderzoeksresultaten roepen in de media telkens dezelfde geschrokken vragen op: Is xtc echt zo mainstream geworden? Is dat niet ontzettend gevaarlijk? Wat kunnen we ertegen doen? De vraag die maar zelden gesteld wordt, maar die mij juist intrigeert, is waarom de drug plotseling weer zo populair is.

Los van de praktische verklaring – de ontdekking van een nieuwe grondstof die tot een heropleving van de productie leidde – is de populariteit volgens mij grotendeels te herleiden op een tijdsgeest waarin het leven steeds meer maakbaar is en de mens alles onder controle heeft. Schoonheid is voor een paar euro in flesjes en potjes te koop bij de Etos. Vaardigheden kun je aanleren via filmpjes op Youtube. En met de juiste poedertjes en (vooralsnog) de nodige inspanning heb je in een paar maanden het lichaam van een Griekse god. En ook geluk is dus te koop, voor vier euro per pil.

Hoewel ik er met plezier aan meedoe, wringt het om deze reden soms ook. Hoe kunstmatig mag het leven worden voor het niet meer echt is? Wat is er gebeurd met de wijsheid van het leven nemen zoals het komt? Ook tijdens de feestjes komt die twijfel weleens om de hoek kijken. Al het gegrijns en geknuffel doet dan plots bijzonder geforceerd aan. En dan is er een paar dagen later natuurlijk nog de ontnuchterende ‘dinsdagdip’: het serotoninetekort dat onvermijdelijk volgt op een dagje ‘hard gaan’. Maar goed, ook daar heb je inmiddels pillen voor.