Geblaat

Er is in Hagestein een stukje grond met appelbomen en schapen waar ik graag langsloop als ik de hond uitlaat. Het is anders dan de andere velden in Hagestein waar schapen lopen – grote, open, rechthoekige vlakken gescheiden door kaarsrechte sloten of hekken. Dit veldje is klein, de hoeken zijn rond en de hekjes zijn versleten en scheef. Er staat een vervallen schuur met een ezel erin die een of twee keer per dag heel hard begint te balken als de boer er aankomt met eten, waarop alle schapen weten dat het tijd is om in klungelige galop naar de schuur te rennen.

Als Sem – onze hond – in de buurt komt wordt onder de schapen meteen de noodtoestand uitgeroepen. Veilig rennen ze met zijn allen naar de andere kant van het veldje, waarna steevast het opperschaap dreigend een paar stappen naar voren doet om ons te laten zien dat ze heus niet zo ongevaarlijk zijn als ze er uitzien. Terwijl de schapen ons luid blatend aanstaren en mijn hond zich teleurgesteld afvraagt waarom zijn potentiële speelmaatjes op zo’n veilige afstand blijven staan, overdenk ik de treffende gelijkenissen tussen de menselijke beschaving en een kudde schapen. Vooral het blaten vind ik boeiend. Hoeveel verschilt dat eigenlijk van onze schijnbaar enorm geavanceerde taalsystemen? Iedereen die wel eens een gesprek heeft moeten transcriberen heeft zich van tijd tot tijd afgevraagd of de inhoud er überhaupt wel toe doet. Het grootste deel van wat we zeggen lijkt een herhaling van clichés die zich in het verleden bewezen hebben of een poging om sociale verbindingen tot stand te brengen. Zelfs een schijnbaar zeer inhoudelijke uitspraak is vaak niet meer dan een variatie op wat gelijkgestemden eerder gezegd hebben, een manier om je in de ene groep te plaatsen en je tegen de andere af te zetten.

‘De labrador is slecht, weg ermee!’, roept het buurschaap. ‘Er zitten ook goeies tussen!’ roept een ander. ‘We moeten hem gewoon in ons midden opnemen, ieder dier heeft recht op een bestaan’, roept het intellectuele schaap dat zichzelf graag prijst om zijn genuanceerde opvattingen.

Terwijl Sem inmiddels een paar honderd meter verderop in een smerige sloot plonst in de hoop dat de eend wel met hem wil spelen, horen we de schapen nog luid blaten. Ze houden vanzelf wel weer op. Tot de volgende keer dat we langskomen.