Die nooit verandert

God “die nooit verandert”, “die dezelfde is, gisteren vandaag en altijd”, “die niet loslaat het werk dat zijn hand begon”. Als kind al was dit voor mij een van de grootste mysterieën van het geloof: waarom vindt iedereen het toch zo belangrijk dat God niet verandert? En waar komt dat idee vandaan, toch zeker niet uit de Bijbel? Was God niet veranderd bij de Toren van Babel? Of (over werk loslaten gesproken) toen hij spijt had van zijn schepping en er een zondvloed op afstuurde? Of toen hij duizenden jaren later zijn zoon op aarde zette?

Later leerde ik tijdens mijn studie religiewetenschap hoe de ultieme andersheid van God een van de pilaren van de christelijke theologie is. En aangezien alles in de wereld vergankelijk en veranderlijk is, is God dat dus juist niet. Met de reformatie werd dit onderscheid nog verder versterkt: God werd hoog in de hemel geplaatst, zó hoog dat hij absoluut onkenbaar werd. Het enige dat we kunnen doen is hier op aarde onze plicht vervullen en afwachten. De uitleg klonk logisch, maar begrijpen deed ik het nog steeds niet.

Pasgeleden kwam ik langs de woorden Gods grown old (oud geworden goden), de titel van een mij verder onbekend toneelstuk uit het Victoriaanse Engeland. De drie woorden raakten me en brachten me, hoewel het stuk uiteraard over Griekse goden gaat, meteen weer terug bij mijn verwondering over die éne God die nooit verandert. Wat nou als hij wel verandert? Wat als God inmiddels gewoon oud is geworden, oud en moegestreden, moe van de eeuwige mens die nooit eens luistert, moe van de wereld die nooit het paradijs zal worden dat hij voor ogen had.

Wanneer er dan weer eens een onderzoek verschijnt waaruit blijkt dat er wéér minder gelovigen zijn, komt dat idee mij nog minder vreemd voor. Misschien willen we zo graag geloven in een ongrijpbare, onveranderlijke God, dat we God zelf langzaam uit het oog zijn verloren. Misschien zit God intussen hoog op zijn hemelse troon te genieten van zijn welverdiende pensioen, zijn witte baard nog een stukje langer dan voorheen, en kijkt hij naar zijn volgelingen die van geen ophouden weten en elkaar elke zondag in de kerk vertellen over die God die in al die duizenden jaren nog nooit verandert is. Dan zucht hij, glimlacht liefdevol en denkt: Och, die eeuwige, onveranderlijke mens.