Des duivels oorkussen

Over hobbits en waarom een beetje luiheid zo slecht nog niet is

Ik moet een jaar of tien zijn geweest toen ik De hobbit ontdekte, de voorloper van Tolkiens levenswerk In de ban van de ring. Op vrijdag kwam de bibliotheekbus langs bij onze school en daar had ik het boekje zomaar opengeslagen en die beroemde eerste zinnen gelezen: “In een hol onder de grond woonde een hobbit. Geen smerig nat hol, vol endjes wormen en een modderige geur, maar ook geen droog, kaal, zanderig hol met niets om op te zitten of te eten: het was een hobbit-hol en dat betekent gemak.” Die avond had ik met een leeslampje onder mijn dekens doorgelezen tot ik in slaap viel en de volgende ochtend was ik wakker geworden met een kriebel in mijn buik die ik alleen van mijn verjaardagen kende. Een levenslange fascinatie met de wereld van de hobbits was geboren.

Vredig leventje

Wat hobbits zo charmant maakt is dat ze hele tevreden wezentjes zijn. Ze werken wat op het land of in traditionele ambachten en dat doen ze graag, maar liever niet te veel. Het belangrijkste in het leven van een hobbit is de maaltijd; daarvan zitten er dan ook maar liefst zes in een dag. Verder zijn hobbits dol op feestjes, pijp roken, verhalen vertellen en zingen. Er is eigenlijk maar één ding waar ze niet van houden en dat is wanneer hun vredige leventje verstoord wordt. Ze bemoeien zich dan ook het liefst zo weinig mogelijk met de wereld van de ‘Grote Lieden’ (de mensen, elven en andere wezens) en negeren vakkundig ieder teken dat erop wijst dat er in de buitenwereld van alles aan de hand is.

Terwijl ik mij die ochtend verstopt onder mijn deken opnieuw onderdompelde in Tolkiens fantasiewereld, vloog de deur van mijn kamer met een klap open. “Lig je nou nog steeds op bed? Het is al half twaalf, ga eens wat doen!”, riep mijn vader. Zo ging het eigenlijk iedere zaterdag.

Dat was voordat ik de kroeg ontdekte.

Oorkussen

Brak zijn bleek vele jaren later namelijk wel een legitieme reden om in bed te blijven liggen. Dat was het eerste dat me verbaasde. Lui zijn mag, mits je daarvoor een reden hebt. Je moet het verdienen. Of je moet ziek zijn, maar niet te lang, want dan stel je je aan. Ik was tien. Ik had niet hard gewerkt, niet te veel gedronken en ik was niet ziek. En dus mocht ik niet lui zijn. Dat was het tweede dat me verbaasde, dat de dadendrang van mensen zo sterk is dat zij als vanzelf naar anderen uitstraalt. Luiheid is zelden het onderwerp van zelfreflectie. Het gaat er vooral om of de ánder wel druk is, of doet alsof, of zich op zijn minst druk maakt. Ledigheid is des duivels oorkussen. En hoewel niemand weet wat een oorkussen is, blijven we toch maar liever op veilige afstand. Ik voelde me een eenzame luilak in een wereld vol druktemakers, een verdwaalde hobbit in een wereld vol Grote Lieden.

Dat was voordat ik ging studeren.

Het studentenleven

Luiheid bleek voor studenten namelijk helemaal geen oorkussen te zijn, het geniet zelfs de voorkeur. Een echte student leent maximaal, zodat hij maximaal kan zuipen, zodat hij zich maximaal verslaapt voor college. Wie bedenkt dan ook dat colleges al om twee uur ’s middags beginnen. Nog mooier werd het toen ik ooit eens wél in college zat en daar hoorde over Paul Lafargue, een negentiende-eeuwse communist en schoonzoon van die andere bekende negentiende-eeuwse communist, Karl Marx. Lafargue zal ongetwijfeld grootse dingen hebben gedaan, maar wordt vandaag de dag nog slechts herinnerd om het iconische pamflet met de titel ‘Het recht op luiheid’. De reductie van een heel leven tot één pamflet over luiheid was voor mij op zich al een aansporing om vooral niet al te hard te ploeteren in dit leven. Maar het was vooral de inhoud die mijn hobbitfilosofie tot een heel nieuw niveau tilde.

Een zonderlinge waanzin

Bij het lezen van de eerste zinnen van het betoog voelde ik mij weer even de jongen van tien die voor het eerst De Hobbit opensloeg: “Een zonderlinge waanzin heeft de arbeidersklasse bevangen van de landen waarin de kapitalistische beschaving overheerst. Deze verdwazing sleept in haar gevolg de individuele en sociale ellenden mee die sinds twee eeuwen het droeve mensdom martelen. Deze waanzin is de liefde voor de arbeid.”

Lafargue beweert dat de mens van nature lui is en geneigd tot maximalisering van de geneugten des levens, waaronder eigenlijk vooral het drinken van wijn. Hij noemt dit poëtisch ‘de edele aandriften van de mens’. De slechte fabrieksbazen daarentegen zijn uit op het maximaliseren van hun winst. Omdat die twee idealen met elkaar botsen, hebben de fabrieksbazen besloten de burger te indoctrineren met het meest onmenselijke dat zij konden bedenken: een liefde voor arbeid. Dit doen zij middels twee wegen. De eerste is de legitimatie van overproductie door de arbeiders meer te laten consumeren: de geboorte van de consumptiemaatschappij. De tweede wordt gevonden in een samenwerking met die andere slechteriken, de geestelijkheid. De dominees en pastoors weten namelijk niet alleen het gedrag, maar ook de moraal van de burger te beïnvloeden. De ‘arbeidsmoraal’ is geboren: wie hard werkt is een goed mens. Lafargue heeft geen goed woord over voor deze ‘moralisten die de menselijke natuur hebben verdorven’ en de tekst eindigt dan ook met een bijzonder vermakelijke apocalyptische profetie waarin hele nare dingen met hen gebeuren.

De rest van de week bracht ik grotendeels door in mijn luie stoel met een kop thee en nog enkele andere teksten over luiheid. Niet alleen had ik een verantwoording gevonden voor mijn eigen luiheid, ik had met het verhaal van de arbeidsmoraal ook een verklaring in handen voor een groot deel van de wereldproblematiek. Ik voelde mij meer hobbit dan ooit. En het mooiste was: ik was niet meer alleen. De wereld bleek vol hobbits te zitten. Dat was voordat ik bijna van de ene op de andere dag het studentenleven grotendeels vaarwelzei.

Ommekeer

Van mijn studentenhuis waar alles vanzelf (of gewoon niet) gebeurde, verhuisde ik met een vriend naar een appartement. Ineens ging niet meer alles vanzelf. Het huis werd opgeleverd als een kale betonnen doos waarin zo’n beetje alles nog moest gebeuren. Er moest gewerkt worden. Niet alleen om de vloer te leggen, maar ook om die vloer te kunnen betalen. En de verf. En het gasfornuis. En de vakantie naar Amerika die ik er voor het gemak ook maar even bij had geboekt. Mijn zorgvuldig samengestelde filosofie van de luiheid bleek buiten de muren van mijn veilige hobbithol ineens nog maar weinig toereikend.

In dat groeiende besef kwam ik een schaduw tegen die ik als een echte hobbit vakkundig buiten de deur had weten te houden. Ik was – zoals een groot deel van mijn generatie – al die tijd als de dood geweest om een keuze te maken, om iets te ondernemen, iets van het leven te maken. Een keuze sluit per definitie andere mogelijkheden uit en stel je voor dat achteraf blijkt dat je de verkeerde keuze hebt gemaakt. Dus spreidde ik mijn winkansen en bleef in het grijze midden hangen. Ik volgde vakken in alle richtingen van mijn studie en hield werk op veilige afstand om maar nergens aan vast te zitten. Zo werd ik zesentwintig en had ik nog altijd geen idee wat ik met mijn leven wilde. Ik was verlamd. En mijn luiheidsfilosofie had als makkelijk masker gediend, een fijne levensbeschouwelijke onderbouwing waardoor het op een bewuste keuze moest lijken.

Ergens had ik al langere tijd het onbevredigde gevoel dat ik stilstond. Maar het achteraf gezien logische idee dat dat misschien wel kwam omdat ik zelf geen stap vooruit durfde te zetten, was nog niet bij me opgekomen. Tot nu dus. Ik kon er niet langer omheen. Ik, Jeroen – de uitslaper, de eeuwige student, de jongen die luiheid tot levenskunst had verheven, die al jaren iedere vorm van verantwoordelijkheid voor zich uit had weten te schuiven – moest iets met mijn leven gaan doen.

Frodo en de ring

Het was rond dezelfde tijd dat ik er na vele eerdere pogingen eindelijk in slaagde het vervolg van De Hobbit – In de ban van de ring – uit te lezen. In dit boek wordt de hobbit Frodo op het afscheidsfeest van zijn oom erfgenaam van een geheimzinnige ring. De ring blijkt een belangrijke drager van de macht van het kwaad in de wereld en het is aan Frodo om hem terug te brengen naar het vuur waarin hij ooit gesmeed was om hem te vernietigen. Zo’n gevaarlijke opdracht is uiteraard het laatste waar een hobbit op zit te wachten en Frodo doet dan ook precies wat je van een hobbit verwacht: hij trekt zich terug in zijn hol en probeert zijn vertrek zo lang mogelijk uit te stellen. Maar terwijl de maanden voorbijgaan, begint het besef te dagen dat hij geen keuze heeft. De duisternis groeit in de wereld. Als hij niets doet gaat niet alleen hij, maar ook alles wat hij liefheeft ten onder. Uiteindelijk gaat hij op pad en het verhaal dat volgt is een van de mooiste verhalen ooit geschreven. Frodo ontdekt een wereld die tegelijkertijd veel verschrikkelijker en veel mooier is dan hij zich ooit had kunnen voorstellen, hij smeedt diepe vriendschappen met wezens waar hij alleen in verhalen van gehoord had en hij weet uiteindelijk de ring te vernietigen en zo Midden-Aarde te redden.

Op weg

Het is wonderlijk hoe grote veranderingen waar je maanden tegenaan hikt soms in een paar dagen tijd tot stand kunnen komen. Ineens was Frodo op weg. Ineens had ik een baan. Schrijfwerk. Ik was nog steeds als de dood. Terwijl de paniek door m’n lijf gierde, deed ik voor mijn gevoel zwaar onvoorbereid mijn eerste interviews. Als dit een jaar geleden was gebeurd, was ik snel weer terug gevlucht naar mijn veilige holletje. Maar net als Frodo besefte ik dat ik geen keus had, dat mijn hobbithol al aan het instorten was. En net als voor Frodo opende zich voor mij een wereld die ik mij nooit had durven voorstellen. Ik had een pad gekozen en kon eindelijk beginnen te wandelen. En ik vond het verschrikkelijk en geweldig tegelijk. Ineens had ik iets om me voor in te zetten, iets om mijn best voor te doen en trots op te zijn. Stapje voor stapje durfde ik verder uit mijn holletje te kruipen en actie te ondernemen. Waar ik een paar maanden eerder nog riep dat het leven te kort is om hard te werken, leek het mij nu vooral te kort om lamlendig in bed te blijven liggen.

Meer dan een masker

En de luiheid dan? Het zingen en dansen, het drinken en roken, het lekkere eten, je op zaterdagochtend een paar uur lang verliezen in een goed boek, al die kleine mooie dingen die het leven voor een hobbit de moeite waard maken? Was dat alles dan niet meer dan een masker?

De consumptiemaatschappij en arbeidsmoraal zijn vandaag de dag levendiger dan Lafargue anderhalve eeuw geleden had kunnen voorzien. We leven in een samenleving waarin werken en consumeren zo’n beetje het meest ethische is geworden wat je kunt doen. Doe je niet (meer) aan dat spelletje mee, dan ‘voeg je niets toe aan de samenleving’ en ‘kost je alleen maar geld’; volwaardig mens zijn zit er dan eigenlijk al niet meer in. Doe je er wel aan mee, dan slaat het evenwicht al snel door naar de andere kant en willen werk en carrière de andere aspecten van het menszijn nog weleens verdringen, getuige onder meer de huidige ‘burn-out-epidemie’.

Juist hier kan een herziening van de levensfilosofie van de hobbits van grote waarde zijn. De luiheid van hobbits houdt namelijk niet in dat ze de hele dag maar een beetje in bed liggen, ze blijken als het nodig is zelfs in staat een extreem zware tocht af te leggen om de wereld te redden. Maar zelfs in de grootste avonturen blijven hobbits hobbits. Gedurende de gehele reis draagt Sam, Frodo’s beste vriend, een klein kistje zout bij zich voor het geval ze een keer een lekker stukje vlees hebben om te koken. Diezelfde Sam fantaseert erover hoe hij na het vernietigen van de ring eindelijk weer een goede nacht kan slapen om vervolgens uitgerust op te staan voor een ochtend werken in de tuin. En na een belangrijke overwinning op een duistere tovenaar zijn Merry en Pippin, twee andere jonge hobbits die zich bij het reisgezelschap hebben gevoegd, eigenlijk nog het meest gelukkig met een tonnetje pijptabak dat ze hebben gevonden.

De wereld te redden is prima, lijkt de filosofie van de hobbits, maar als er in die wereld geen tijd meer is om rustig je pijp te roken, te eten en te drinken, te dansen en te zingen, wat blijft er dan nog over om voor te vechten?