Column

Snollebollekes

Daar staan we dan in onze zorgvuldig bij elkaar gezochte carnavalspakken. “Snollebollekes! Tudututututu!” klinkt er uit de speakers. De eerste zeven keer dat het liedje langskwam deed ik nog enthousiast mee, maar het is ook een keertje klaar. Je vraagt of ik nog bier wil. Je weet wat ik ga zeggen, maar toch wacht je op m’n antwoord. Hebben we tenminste iets om over te praten. “Ja,” antwoord ik, en je verdwijnt in de zee van matrozen, hotdogs en blauwe konijnen. Ik kijk naar alle dronken minderjarigen om me heen en vraag me af wat ik hier in hemelsnaam doe. Het is mijn overtuiging dat als je maar hard genoeg doet alsof je het naar je zin hebt, het vanzelf leuk wordt. Ik overweeg mijn theorie te herzien.

Twee meter verderop zoent een politieagent nogal ordinair met een aardbei. Ik schat ze rond de dertig, hoewel je het bij aardbeien nooit zeker weet. Ik vraag me af of Freud ooit iets geschreven heeft over carnaval. Ik zie hem al geniepig in z’n baard wrijven, hij zou er van gesmuld hebben. De aardbei hapt even naar adem en stort zich dan weer met volle overgave op meneer agent.

Het lijkt me waarschijnlijk dat de politieagent Gerrit heet en in het dagelijks leven baliemedewerker bij het gemeentehuis is. Niet bij de balie waar je je paspoort ophaalt, maar die naast de deur, waar je zegt dát je je paspoort komt halen en dan een nummertje krijgt. De politie komt ook wel eens langs op het gemeentehuis, en dan kijkt hij vanachter zijn computerscherm altijd stiekem naar dat prachtige donkerblauwe uniform met die brede schouders. Hij weet dat hij de rest van z’n leven achter de balie zal zitten, maar troost zich met de vijf dagen per jaar dat hij zelfverzekerd in uniform door Café ’t Pleintje marcheert.

Het maakt me een beetje droevig. Carnaval biedt dus blijkbaar het paradoxale soort vrijheid dat ervoor zorgt dat onvrijheid de rest van het jaar kan standhouden. Stel je voor dat er geen carnaval was geweest, dan was hij zeven jaar geleden misschien wel zo gefrustreerd geweest dat hij op donderdagmiddag om vijf voor vijf de zoveelste zeurende klant een bloempot tegen het hoofd had geworpen. De klant zou er niets aan overhouden, maar Gerrit werd op staande voet ontslagen. Vervolgens zou hij zich zijn jeugddroom herinneren en zich dezelfde dag nog inschrijven bij de politieacademie.

Het verhaal van de aardbei is al even droevig. Inge heet ze. Vandaag viert ze haar jubileum, het is haar tiende jaar als aardbei, maar dat weet verder niemand. Precies tien jaar geleden liep ze jong en groen voor het eerst ’t Pleintje binnen. Daar ontmoette ze Peter de Piloot. Peter was een vrolijke jongen en het pilotenuniform had hem die avond bijzonder goed gestaan, zó goed dat ze het een paar uur later achter de kerk van zijn lijf had gescheurd. Het was precies op de elfde van de elfde toen ze beviel van haar zoontje. Ze noemde hem Peter. Tien jaar lang verleidde ze in haar aardbeienpak elke man in uniform die ze tegenkwam in de hoop dat het misschien Peter zou zijn, maar ze heetten altijd anders, Gerrit ofzo.

Lachend kijk je me aan, je probeert het biertje in mijn hand te duwen, maar het duurt even voor ik me besef wat er gebeurt. “Gaat het goed?” vraag je. Ik knik en glimlach. “Volgend jaar ga ik als Freud.”