Column

Nelson

Jeroen met ratten

Sinds een jaar of twee heb ik drie ratten thuis. Vrijwillig, in een kooi, hoewel ze ook af en toe los mogen. Ik kijk graag naar ze terwijl ze bezig zijn met hun dagelijkse bezigheden. Wassen, eten, spelen, vechten, knus tegen elkaar aankruipen. Eigenlijk zijn hun levens niet heel anders dan het mijne, iets kleiner, eenvoudiger.

Een van de drie, Nelson, is de laatste maanden vaak ziek. Hij heeft een luchtweginfectie, abcessen en vast ook kanker, dat krijgen vrijwel alle ratten. De dierenarts gaf me een flinke pot antibiotica, maar veel meer kunnen we niet doen. Nelson gaat zienderogen achteruit.

Toen hij pasgeleden weer eens klonk alsof hij geen lucht meer kreeg en ik snel de neusdruppels uit m’n kast trok, vroeg ik me af waarom ik dat eigenlijk deed. Waarom zou ik het niet gewoon laten gebeuren, hem dood laten gaan? Is dat niet natuurlijker? Ik werd me er ineens heel bewust van dat zijn leven in mijn handen lag. Het is dan ‘maar’ een rattenleven, dat sowieso niet langer dan drie jaar duurt, maar toch… een leven. Wie ben ik om de keuze te maken tussen leven en dood? Soms ligt hij zo vredig te slapen, dan denk ik: misschien was hij wel net van plan om rustig te sterven, kom ik er weer aan met m’n antibiotica.

In Nelson wordt de paradox van medische vooruitgang in het klein zichtbaar. We willen wie ons lief is niet kwijt en proberen de dood zo lang mogelijk op een afstand te houden. Maar daarmee maken we onszelf ook verantwoordelijk voor iets dat voorheen het domein van het onverbiddelijke en zo makkelijk te haten lot was. Mensen gaan niet langer dood omdat ‘hun tijd gekomen is’, maar omdat ‘ze niet meer gered konden worden’. Sterven is de strijd verliezen.

Elke medische ontwikkeling is dus ook een extra verantwoordelijkheid. Maar hoe kunnen we verantwoordelijk zijn voor het leven van een doodziek kind, van een wegkwijnende oma, van een Aidspatiënt in een ver land? Ik weet al niet wat de juiste keuze is voor m’n rat.

Ik heb Nelson zojuist weer een toastje met antibiotica gegeven. Ik zou niet anders kunnen, niet terwijl hij – hoewel inmiddels half kaal en met bloed op z’n neus – nog stoeit en klimt en om eten vecht, niet terwijl de levenskracht nog van hem afspat. Als zijn tijd eenmaal gekomen is, hoop ik dat ik de juiste keuze maak. Maar meer dan hopen kan ik niet.

Verschenen in Volzin, nr. 2 2016
Foto: Christiaan Krouwels