Interview

‘Het mag best een beetje speelser in de kerk’

de-danskerk-003

Door het koor van de Utrechtse Janskerk bewegen zo’n veertig mensen rond op meditatieve muziek, de een heel rustig, de ander gooit zijn armen wild in de lucht. “Volg je voeten,” zegt een zachte stem, “waar willen ze naartoe?”. Wie nu per ongeluk binnen zou komen lopen, zou waarschijnlijk verbaasd staan te kijken. Wat heeft zo’n dansgroep met de kerk te maken? Voor Michael Verheijen (39) is de combinatie echter helemaal niet zo vreemd: “Als ik dans, word ik meegevoerd door het leven zelf. Ik kom dan veel dichter bij mezelf en de ander. Daarin ervaar ik God.” Samen met Coby Geertsma (38), Marije Vermerris (28), Mathilda van Ameijde (38) begon hij twee jaar geleden de Dans!kerk om die ervaring ook naar de kerken te brengen. Vermerris: “De Dans!kerk is geen nieuwe kerk, maar wil mensen in de bestaande kerken kennis laten maken met de vrije dans. We horen soms dat mensen bij Dans!kerk de inhoud missen, maar inhoud is er volgens mij al genoeg in de kerk. Wij willen de mensen in de kerk juist de kans geven hun geloof te ervaren. Als ik voor mezelf spreek: als ik in de kerkbanken zit ervaar ik God niet zozeer, dat doe ik pas wanneer ik mijn hele lijf erbij kan gebruiken.”

Wat is er mis met in de kerkbanken zitten en meezingen?

Van Ameijde: “Iedereen mag natuurlijk kerken zoals hij of zij graag wil en wij zullen nooit iemand dwingen om te dansen, maar we merken dat er bij veel mensen het verlangen leeft om hun geloof meer te beleven, te ervaren. En daar is in met name de traditionele kerken vaak weinig ruimte voor. Dáár willen wij verandering in brengen.”

En dansen helpt daarbij?

Verheijen: “Wanneer je danst, ben je kwetsbaar. De ander is dat ook. Je ziet elkaar dan veel meer zoals je echt bent, waardoor je niet zo snel je oordeel klaar hebt. Je ziet de hele mens. Iemand waar je op straat misschien met een ruime boog omheen zou lopen, is nu een mens als jij, met dezelfde passie en verlegenheid. Dat zorgt voor verbinding, met jezelf, met elkaar en dus ook met God.”

Je legt nogal vanzelfsprekend die koppeling tussen verbinding met jezelf en de ander en verbinding met God.

Verheijen: “God heeft ons mens gemaakt, dus wanneer wij zo volledig mogelijk mens zijn – met alle blijdschap, verdriet en pijn, met hoofd én lichaam – zijn we het dichtst bij de essentie van het leven en dus bij God. Ook in de verbinding met de ander zie ik dat terug; toen God de mens had gemaakt, maakte Hij er snel nog een, want ‘het is niet goed dat de mens alleen is.’”

Voor dat zoeken naar verbinding kregen we ook opdrachten om het contact met anderen op te zoeken, bijvoorbeeld door elkaar in de ogen te kijken, aan te raken, of een tijdje samen te dansen. Ik vond dat best wel spannend, soms had het bijna iets erotisch, alsof we elkaar aan het verleiden waren.

Van Ameijde: “Ik ervaar het zelf veel meer als warmte en liefde, maar dat is voor iedereen verschillend. Aanraken is je écht met iemand verbinden en dan kan er van alles loskomen. Daar spelen we ook wel een beetje mee. Ik geef tijdens het dansen wel eens de opdracht om elkaar te verleiden, dat maakt veel speelsheid los.”

Vermerris: “De eerste keren dat ik bij de dansweekenden kwam, hoefde ik maar aangeraakt te worden of ik begon al te huilen. Er kwam zóveel bij me los. Het is heel belangrijk om daar niet voor weg te rennen maar er doorheen te gaan, die spanning de ruimte geven. Volgens mij komt de allergie van de kerk voor lichamelijkheid voort uit het niet kunnen omgaan met die spanning. Alles wat een beetje ongrijpbaar, beleving is, wordt snel weggedrukt of als slecht neergezet. Maar als je dat continu blijft doen, blijft er maar een heel klein stukje van het leven over. We hebben het in de kerk maar al te graag over liefde. Maar daar kun je toch niet alleen maar over praten en zingen? Liefde moet je voelen.”

Toch herken ik die ongemakkelijkheid tussen lichaam en kerk ook wel. Toen vanavond het Agnus Dei gedraaid werd, voelde ik plotseling weerstand en dacht: maar dit is heilige muziek, daar hoor je niet op te dansen!

Verheijen: “Door iets niet te benoemen of net te doen of het niet bestaat, creëer je een taboe. Dat is wat er in de loop van de geschiedenis in de kerk met het lichaam is gebeurd. Het gevolg is dat er nu enerzijds vaak heel krampachtig over het lichaam wordt gedaan en we daartegenover in de samenleving een beetje losgeslagen lijken en bloot en seks overal aanwezig zijn. Door in de dans ruimte te maken voor aandachtige aanraking kunnen mensen ervaren dat het lichaam iets moois is dat ons verbindt. Het taboe op het lichaam wordt heel duidelijk als je naar Hooglied kijkt. Als je ziet hoe de kerk door de eeuwen heen met dat boek geworsteld heeft! Hooglied is voor mij vooral een prachtige poëtische weergave van lichamelijkheid. Het laat zien dat dat ook deel is van de wereld die God heeft geschapen. Als je dat eruit wilt halen, zeg je eigenlijk: dit deel van God hoort niet bij God. Volgens mij ben je dan zelf God aan het spelen.”

Van Ameijde: “We deden eens een workshop met acht vrouwen, waarvan er zeven nog nooit iets met vrije dans gedaan hadden. Aan het einde vroeg ik aan de vrouwen: ‘Vinden jullie dit eigenlijk wel kunnen, dansen in de kerk?’ Een van de vrouwen, die tijdens het dansen helemaal niet bijzonder uitbundig was geweest, riep toen: ‘Ja natuurlijk! Ik wil die Heilige Geest nu ook wel eens een keer voelen!’”

Als je je alleen maar op die ervaring richt, wat maakt het dan nog tot een ‘kerk’, tot iets christelijks? Zou het niet net zo goed een new age dansworkshop kunnen zijn?

Van Ameijde: “Ik gun het de mensen in de kerk ook zo! New age heeft al genoeg mogelijkheden om te dansen, hun lichaam te gebruiken, te ervaren. Waarom de kerken dan niet? We zijn in de meditaties inderdaad niet expliciet christelijk, we hebben het meestal niet over God of Jezus, want dan ga je de ervaring meteen al inkleuren. Mensen nemen hun eigen geloofsbeleving mee en krijgen in de dans de kans dat geloof te ervaren en verdiepen. Dat geldt voor mensen binnen de kerken, maar er komen ook vaak mensen van buiten de kerk op af. Wij hebben niets met evangeliseren, het is juist mooi dat verschillende mensen samen hun geloof kunnen beleven, dat ze in de dans verbinding vinden.”

De meditatie begon ingetogen, werd toen meer ‘gloria’, en eindigde bijna – of misschien wel helemaal – biddend. Die opbouw deed me ook wel aan het ritme van een kerkdienst denken.

Van Ameijde: “Mooi dat je dat erin herkent. We hebben dat niet bewust zo bedacht, maar misschien zit daar wel een soort basiskennis, een universeel metrum in waarvan wij net zo goed als de kerk merken dat het werkt. Wanneer je binnenkomt, zit je nog vol met je zorgen en stress van de dag. Dat moet je eerst loslaten door even uit je hoofd te gaan en de aandacht op je lichaam te richten. Vervolgens zoeken we de verbinding met anderen en daarna laten we de energie los. Als je dan daarna zo’n verstillend meditatief moment hebt, komt dat veel beter aan, er is dan iets opengebroken, er is ruimte ontstaan. Daarnaast komt met het contactmaken en losgaan ook veel plezier naarboven. Het mag best een beetje lichter, speelser, in de kerk.”

Jullie hebben ook een tijdje geprobeerd de Dans!kerk wel een vastere vorm te geven.

Vermerris: “We zijn vorig jaar in Amsterdam en Oudorp begonnen met vaste groepen. We begonnen met tweewekelijkse bijeenkomsten en hadden een idee om dat uit te bouwen naar een vastere gemeenschap waar mensen ook doordeweeks terecht zouden kunnen. We merkten daar dat het toch lastig was om het idee dat we voor ogen hadden te realiseren. Mensen kwamen niet op vaste basis terug. Ook trokken we vooral mensen van buiten de kerk, terwijl we juist die verbinding tussen binnen en buiten wilden bereiken. Daarom richten we ons nu vooral weer op workshops in de bestaande kerken.”

Is dat niet ook een teken dat mensen het interessant vinden omdat het iets nieuws is, en dan afhaken zodra de nieuwigheid er af is?

Van Ameijde: “Het hoeft niet per se een blijvende vorm te krijgen om blijvend te zijn. Met zo’n workshop laten we iets onuitwisbaars achter, daar ben ik zeker van. Ik weet wat daar in één dansmeditatie gebeurt, dat kabbelt door. Maar het is wel hard werken omdat je eerst voorbij al die vooronderstellingen moet komen. Het zou mooi zijn als de beweging uiteindelijk vanuit de kerken zou komen, dat wij niet meer zo hoeven te sjorren.”

Zien jullie dat gebeuren?

Vermerris: “Om eerlijk te zijn, als we nu zouden stoppen, zou denk ik niemand het missen. Wel zien we een verschuiving in de kerken. Er is steeds meer aandacht voor nieuwe, experimentele vormen, zoals bijvoorbeeld The Passion, daar passen wij wel in. Ook zien we veel enhousiasme bij jonge predikanten, die geven ons hoop. Met hen kunnen we dansen.”

Meer informatie op www.danskerk.nl.

KADER

“Ik kijk wel of ik het wat vind, ik kan altijd nog weggaan,” zegt de meneer naast me optimistisch. We zijn allebei gewoontegetrouw in de kerkbanken gaan zitten en kijken hoe de organisatoren kussens klaarleggen en kaarsen aansteken. Wanneer iedereen naar voren loopt, volgen we gedwee.
Marije Vermerris kijkt de kring rond en zucht, “wat een mooie groep mensen.” Ze nodigt ons uit ons door ons gevoel te laten leiden. We mogen dansen hoe we willen en als we dat niet willen is het ook goed. We beginnen met rustige bewegingen op ontspannende meditatiemuziek. Na een tijdje worden we aangespoord om door de ruimte te bewegen en de mensen die we tijdens het dansen ontmoeten even aan te kijken, contact te maken. Er komen bloemen en kaarsen bij die we bij ons mogen houden en dan weer doorgeven. We dansen even samen met wie we tegenkomen, raken elkaar aan.

Langzaam maar zeker wordt de muziek speelser, wilder. Mensen springen in het rond, spelen, draaien om elkaar heen. Er wordt gelachen en gegild. Het is feest! “Nog één keer knallen,” roept Vermerris, en we stampen erop los.

We eindigen weer ingetogen. Wat is er losgekomen vanavond? We houden het vast, dansen er in stilte mee. In de stilte overdenk ik de avond. Het was bijzonder om in de dans de verbinding op te zoeken, maar ook spannend. Ik vond het moeilijk me een houding te geven. Vooral toen we gevraagd werden een tijdje met één iemand te dansen. We waren allebei onzeker, de dans was heel fragiel, breekbaar, maar dat maakte het juist ook mooi. Twee breekbare mensen die de onzichtbare grenzen tussen mensen even doorbreken.