Column

Een nieuw geloof

Men sprak van een nieuw geloof, beter dan alle vorige. Ik sloot aan bij de stoet die ons naar het beloofde land zou brengen. Het was een vreemd volk met een vreemde god, maar we zongen, dansten, juichten samen en al snel voelde ik me opgenomen in hun midden. De stemming was euforisch: eindelijk zou het gebeuren. “Eindelijk, eindelijk!” riepen mijn nieuwe kameraden verwachtingsvol tegen elkaar. Ik riep met ze mee, al was ik pas op het laatste moment aangehaakt.

De weg was lang en zwaar geweest, vertelden ze mij. Achttien lange jaren waren ze al op weg door deze woestijn. Jaren van tegenslag, bespotting. Een eindeloze tocht van teleurstelling naar teleurstelling. De verlossing bleek, telkens weer, net iets te hoog gegrepen. Maar nu was het beloofde land dan eindelijk in zicht.

Even nog leek het weer fout te gaan. Met lede ogen zagen we de bal het verkeerde doel in vliegen. En nog een keer. En nog een keer. Elke goal een zweepslag. Tienduizenden verslagen gezichten. We waren zo dichtbij. De stemming begon om te slaan. Verslagenheid werd woede, tranen werden vuisten, hekken werden uit de grond getrokken en omgeduwd. Ik keek verbaasd om me heen. Ineens begon ik te twijfelen of dit alles wel aan mij besteed was. Wilde ik wel in deze god geloven? Was ik hier niet veel te rationeel voor? Wat kon mij dat beloofde land nou schelen?

Ik keek nogmaals om mij heen en zag al die mensen die al achttien jaar door deze woestijn dwaalden, die tegenslag na tegenslag verduurd hadden. Ging ik na de eerste al afhaken? Plichtsgetrouw bleef ik lopen, gesteund door de hoop van tienduizenden. De laatste meters leken de langste. In de nachten had ik enge dromen en in de ochtenden lag ik al vroeg wakker met telkens weer die zelfde twijfel: het zal toch niet…

Op de zevende dag was het zo ver: de dag des oordeels. De eerste goal liet niet lang op zich wachten en de stad ontplofte. Bier viel uit de hemel. Volslagen vreemden vlogen elkaar huilend om de nek. In de negentig minuten die daarop volgden begon het besef langzaam maar zeker te dagen. En toen de ramshoorns klonken, en de profeet Kuijt huilend door zijn knieën zakte, brak het volk uit in een donderend geschreeuw. Het legioen viel elkaar juichend in de armen, met tranen in de ogen. We zijn er, eindelijk vrij.